De "schoolverlaters schande"
woensdag, 1 maart 2006
De kritische econoom Frank Kalshoven analyseert de studie van het CPB. En kraakt enige noten: onduidelijke registratie, weten weinig over effectieve maatregelen, beleid is fragmentarisch en onsamenhangend. Maar gelukkig trekt hij conclusies uit voorbeelden van buurlanden!
De conclusies:
1 voorkom uitval
2 individuele coach werkt
3 bonus effectief
De schoolverlaters schande
De studie Voortijdig schoolverlaten in Nederland van het Centraal Planbureau (CPB) haalde vorige week de kranten omdat de onderzoekers, Marc van der Steeg en Dinand Webbink, erin opschreven dat vroegtijdig schoolverlaten kan worden bestreden door jongeren geld te geven om naar school te gaan. Geinig nieuwtje over gekke economen die nu eenmaal denken dat Voor geld alles te koop is. En weer over tot de orde van de dag.
De conclusies:
1 voorkom uitval
2 individuele coach werkt
3 bonus effectief
De schoolverlaters schande
De studie Voortijdig schoolverlaten in Nederland van het Centraal Planbureau (CPB) haalde vorige week de kranten omdat de onderzoekers, Marc van der Steeg en Dinand Webbink, erin opschreven dat vroegtijdig schoolverlaten kan worden bestreden door jongeren geld te geven om naar school te gaan. Geinig nieuwtje over gekke economen die nu eenmaal denken dat Voor geld alles te koop is. En weer over tot de orde van de dag.
Dat rapport, echter, is een schande. Niet het rapport zelf, maar de erin beschreven praktijk inzake drop-outs, voortijdige schoolverlaters. Hoe groot het probleem is? We hebben eigenlijk geen idee. Welk beleid gevoerd wordt om het aantal drop-outs te verminderen? Het is veel, dat weten we zeker, maar het is ook versnipperd en de verschillende onderdelen zijn nimmer deugdelijk getoetst op effectiviteit, dus of het werkt, is niet vast te stellen. Noem het gerust een maatschappelijke misstand die door Van der Steeg en Webbink wordt beschreven.
Het duo stelt vast dat de registratie van schoolverlaters ondeugdelijk is. In het eerste grafiekje zien we het aantal drop-outs van rond de veertigduizend per jaar eind jaren negentig oplopen tot dik zeventigduizend in 2001 Alarm? Nee, want deze forse stijging, op basis van zogeheten regionale meld- en coördinatiefuncties, komt vermoedelijk vooral door een betere registratie. Idem voor de daling nadien. `Geconcludeerd kan worden dat het, op basis van deze cijfers althans, niet mogelijk is vast te stellen of het voortijdig schoolverlaten reëel toe- of afneemt in Nederland', schrijven de CPB'ers.
Nochtans zijn deze ondeugdelijke cijfers uitgangspunt van het kabinetsbeleid. De lijn die na het schooljaar 2003-2004 doorloopt naar vijfendertigduizend drop-outs in 2010, tekent de kwantitatieve doelstelling van het kabinet. Hoe bewonderenswaardig zo'n doelstelling ook is, als de cijfers niet deugen, stelt zo'n voornemen weinig voor.
Intussen weten we natuurlijk wel het een en ander over drop-outs.
De vier belangrijkste kenmerken van voortijdige schoolverlaters zijn een lage Cito-score, laag opgeleide ouders, afkomst uit een eenoudergezin en woonachtig in een grote stad. `Elk van deze factoren heeft een zelfstandige invloed op het voortijdig schoolverlaten. Vooral als er sprake is van een cumulatie van deze factoren neemt de kans op voortijdig schoolverlaten (sterk) toe', schrijven Van der Steeg en Webbink. Overigens is het een nogal heterogene groep, variërend van jongeren die geen enkel middelbareschooldiploma hebben tot mensen met een vmbo-diploma op zak. Die laatsten worden toch als drop-out gezien omdat het hun ontbreekt aan een `startkwalificatie', de minimale opleiding om het op de arbeidsmarkt te kunnen rooien.
Schoolverlaters worden bedolven onder overheidsbeleid. Grofweg tachtig miljoen euro wordt uitgegeven aan een scala aan landelijke regelingen. Deze regelingen worden ook geëvalueerd. `Men zou hieruit kunnen concluderen dat we in Nederland inmiddels veel weten over de effectiviteit van het huidige instrumentarium', schrijft het CPB. Om daarop droog te constateren. `Dit is echter( ...) niet het geval.'
Beleidsinstrumenten worden in Nederland vooral kwalitatief geëvalueerd; kwantitatieve relevante informatie over het rendement van beleid ontbreekt. Als er al cijfers verzameld worden, ontbreekt een controlegroep, zodat niet kan worden gekeken of de resultaten met beleid beter zijn dan resultaten zonder beleid. Het CPB constateert dan ook:
`We weten niet of de situatie beter of slechter zou zijn als de betreffende instrumenten niet zouden zijn ingezet.'
Deze harde vaststelling wordt ondersteund door de Onderwijsraad (die het beleid fragmentarisch en onsamenhangend' noemde), de Algemene Rekenkamer en de Onderwijsinspectie (die schrijft over `gebrekkige registratie' die het `onmogelijk maakt' om het rendement te meten).
Telt dit alles nu op tot de conclusie dat de Nederlandse overheid faalt als het gaat om vroegtijdige schoolverlaters? Ik dacht van wel.
Beleidsinstrumenten worden in Nederland vooral kwalitatief geëvalueerd; kwantitatieve relevante informatie over het rendement van beleid ontbreekt. Als er al cijfers verzameld worden, ontbreekt een controlegroep, zodat niet kan worden gekeken of de resultaten met beleid beter zijn dan resultaten zonder beleid. Het CPB constateert dan ook:
`We weten niet of de situatie beter of slechter zou zijn als de betreffende instrumenten niet zouden zijn ingezet.'
Deze harde vaststelling wordt ondersteund door de Onderwijsraad (die het beleid fragmentarisch en onsamenhangend' noemde), de Algemene Rekenkamer en de Onderwijsinspectie (die schrijft over `gebrekkige registratie' die het `onmogelijk maakt' om het rendement te meten).
Telt dit alles nu op tot de conclusie dat de Nederlandse overheid faalt als het gaat om vroegtijdige schoolverlaters? Ik dacht van wel.
Wegens gebrek aan betrouwbare informatie uit Nederland heeft het CPB over de grens gekeken, naar landen waar wel deugdelijk onderzoek wordt gedaan naar het effect van drop-outbeleid. Daaruit zijn drie voorzichtige conclusies te trekken.
Eén: voorkomen dat jongeren uitvallen is veel effectiever dan proberen hen, eenmaal uitgevallen, weer terug naar school te krijgen.
Twee: een individuele 'coach' die leerlingen bijstaat als vriend en rolmodel, lijkt effectief, ook als deze coach geen enkele poging doet om onderwijsachterstanden in te halen.
Drie: financiële prikkels werken (waaronder een inkomensafhankelijke wekelijkse toelage voorleerlingen als ze braaf naar school gaan, en een bonus als ze een diploma halen).
Bestuurders die de schoolverlatersschande willen uitwissen, weten waar ze moeten beginnen.




