De spagaat van Moslim, Marokaan en Nederlandse jongeren
woensdag, 8 november 2006
Onderzoeker Frank Buijs: ‘Jongerenwerkers kunnen radicale jongeren bij de lurven pakken’.
In ‘Strijders van eigen bodem’ schetsen Frank Buijs en zijn collega’s de ontwikkeling van radicaliserende moslimjongeren. Welke rol hebben welzijnswerkers en jongerenwerkers volgens Buijs bij het tegengaan van radicalisering? ‘Jongerenwerkers moeten de aanlokkelijkheid van het radicalisme begrijpen.’
‘Ik ben heel erg geschrokken van de moeilijkheden van de democratische moslims. Zij hebben het idee dat de islam in de hoek wordt gedrukt en zijzelf daarmee ook.'
'Ze moeten zich steeds naar twee kanten verdedigen. Ze zitten in een spagaat: dat ze tegelijk als moslim, als Marokkaan en als Nederlander worden aangesproken. Daardoor lijkt het van twee kanten of het nooit goed is wat ze doen.’
Onderzoeker Frank Buijs vertelt hoe onder de indruk raakte van de benarde positie van jonge moderne moslims. ‘Dat zijn de jongeren die heel graag meedoen. Zij realiseren zich dat het hier beter is dan in het dictatoriale Marokko. Ze hebben hier de ruimte om hun geloof te uiten. Ondanks hun positivisme voelen ze zich in de hoek gedrukt. Terwijl zij de belangrijkste hefboom zijn in de strijd tegen radicalisme. Zij moeten laten zien dat er maatschappelijke waardevolle perspectieven zijn en antwoorden op dat radicalisme.’
Politicoloog Frank Buijs (57) vertelt gedreven over zijn onderzoek naar islamitische radicalisering. Hij is de enige Nederlandse wetenschapper die full time onderzoek doet naar radicalisering. Buijs is verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam en directeur van het interuniversitaire Centrum voor Radicalisme en Extremisme Studies.
Binnenkort start hij met Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling, een programma over de rol van professionals bij ‘deradicalisering’. ‘Dat gaat over simpele vragen
als over een jongen die raar gaat doen. Die gaat schelden als meisjes te bloot gekleed zijn, geen hand meer geeft aan vrouwen en over de jihad begint te gillen. Hoe moeten ze dat aanpakken? Op dat gebied gaan we met Forum samenwerken en cursussen ontwikkelen.’
Buijs onderscheidt drie soorten impulsen die kunnen leiden tot radicalisering: religieuze, politieke en sociale. ‘Bij sommigen is de religieuze impuls het belangrijkst.
Mohammed B. is daar een voorbeeld van. Hij kwam in de problemen toen zijn moeder overleed. Hij ging toen op zoek naar de zin van het leven. Vanuit een soort tunnelvisie op religie ontwikkelde hij zich in de richting van religieuze waanzin’.
‘Anderen hebben veel meer de impuls van solidariteit, met bijvoorbeeld de geloofsbroeders in Tsjetsjenië of met hun neefje die geen stageplaats krijgt. Samir A. heeft vooral die impulsen. Dan zijn er nog jongens en meisjes die zich koesteren in de warmte die zo’n groep orthodoxe moslims biedt. Jongeren die zich ontworteld voelen en een nieuw thuis hebben gevonden.'
Welk alternatief heeft een jongerenwerker voor de geborgenheid van een orthodoxe subcultuur?
‘Begrijpen dat warmte een rol speelt, is al bepalend voor hoe zo’n jongerenwerker reageert. Zegt hij: ”Ik geef je aan bij de politie” of zegt hij “Jongen, waar ben je eigenlijk naar op zoek?” Hij kan alternatieve plaatsen aanwijzen waar ook warmte te vinden is. Of wijzen op alternatieve Koran-interpretaties. Of de beperktheid van de orthodoxie benoemen. Of de mens laten zien achter opvattingen waar die radicalen het niet mee eens zijn.’
‘In het radicaliseringsproces wordt de niet-gelovige als het ware ‘verdingelijkt’, tot onmens gemaakt. In het allerhoogste stadium worden de vijanden afgeschilderd als beesten. Dat is de basis waarop je ze kan vermoorden. En inderdaad is het aanwijzen van ‘kafirs’, ongelovigen, zo’n stap in het radicaliseringsproces. Als jongerenwerker moet je er dan wel op wijzen dat die kafir ook een aardige buurman is of een liefhebbende vader, die goed voor zijn kinderen is. Dat is het terughalen van het menselijke aspect.’
Turkse jongeren radicaliseren buiten de moskee, blijkt uit recent onderzoek. Hoe zijn zij dan nog te bereiken?
‘Die jongeren worden dus op zich zelf teruggeworpen en zolang ze op school zitten is de leraar ongeveer de belangrijkste verbinding met de autochtone samenleving. Daarnaast heb je vaak nog jongerenwerkers die deze jongens bij de lurven kunnen pakken en met ze praten. Dat betekent dat het jongerenwerk heel belangrijk is en de ruimte moet hebben om zijn eigen koers te varen om dichtbij die jongeren te komen. De jongerenwerker moet ook relatief vrij staan van het politieapparaat. En hij moet leren omgaan met de verschijnselen van de radicalisering.’
Ahmed Marcouch zegt dat moskeebesturen als ze een radicaal geluid horen, niet verplicht moeten worden naar de politie te gaan, zoals stadsdeel De Baarsjes eist.‘Helemaal mee eens. Dat betekent dus dat moskeebesturen geëquipeerd moeten worden om de discussie met jongeren aan te kunnen gaan. Dat kunnen ze vaak niet. Het gebeurt regelmatig dat de jongeren ze met Koran-citaten om de oren slaan. Daar weten die ouderen vaak niet veel van. Je moet daarom een heleboel instrumenten inzetten om die kloof met de jongeren te overbruggen. Wat Marcouch doet, jongerenwerkers met een fatsoenlijke islamkennis inschakelen, vind ik uitstekend. Goed zo.’
Het hele interview is te lezen in Zorg + Welzijn nummer 11
In ‘Strijders van eigen bodem’ schetsen Frank Buijs en zijn collega’s de ontwikkeling van radicaliserende moslimjongeren. Welke rol hebben welzijnswerkers en jongerenwerkers volgens Buijs bij het tegengaan van radicalisering? ‘Jongerenwerkers moeten de aanlokkelijkheid van het radicalisme begrijpen.’
‘Ik ben heel erg geschrokken van de moeilijkheden van de democratische moslims. Zij hebben het idee dat de islam in de hoek wordt gedrukt en zijzelf daarmee ook.'
'Ze moeten zich steeds naar twee kanten verdedigen. Ze zitten in een spagaat: dat ze tegelijk als moslim, als Marokkaan en als Nederlander worden aangesproken. Daardoor lijkt het van twee kanten of het nooit goed is wat ze doen.’
Onderzoeker Frank Buijs vertelt hoe onder de indruk raakte van de benarde positie van jonge moderne moslims. ‘Dat zijn de jongeren die heel graag meedoen. Zij realiseren zich dat het hier beter is dan in het dictatoriale Marokko. Ze hebben hier de ruimte om hun geloof te uiten. Ondanks hun positivisme voelen ze zich in de hoek gedrukt. Terwijl zij de belangrijkste hefboom zijn in de strijd tegen radicalisme. Zij moeten laten zien dat er maatschappelijke waardevolle perspectieven zijn en antwoorden op dat radicalisme.’
Politicoloog Frank Buijs (57) vertelt gedreven over zijn onderzoek naar islamitische radicalisering. Hij is de enige Nederlandse wetenschapper die full time onderzoek doet naar radicalisering. Buijs is verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam en directeur van het interuniversitaire Centrum voor Radicalisme en Extremisme Studies.
Binnenkort start hij met Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling, een programma over de rol van professionals bij ‘deradicalisering’. ‘Dat gaat over simpele vragen
als over een jongen die raar gaat doen. Die gaat schelden als meisjes te bloot gekleed zijn, geen hand meer geeft aan vrouwen en over de jihad begint te gillen. Hoe moeten ze dat aanpakken? Op dat gebied gaan we met Forum samenwerken en cursussen ontwikkelen.’
Buijs onderscheidt drie soorten impulsen die kunnen leiden tot radicalisering: religieuze, politieke en sociale. ‘Bij sommigen is de religieuze impuls het belangrijkst.
Mohammed B. is daar een voorbeeld van. Hij kwam in de problemen toen zijn moeder overleed. Hij ging toen op zoek naar de zin van het leven. Vanuit een soort tunnelvisie op religie ontwikkelde hij zich in de richting van religieuze waanzin’.
‘Anderen hebben veel meer de impuls van solidariteit, met bijvoorbeeld de geloofsbroeders in Tsjetsjenië of met hun neefje die geen stageplaats krijgt. Samir A. heeft vooral die impulsen. Dan zijn er nog jongens en meisjes die zich koesteren in de warmte die zo’n groep orthodoxe moslims biedt. Jongeren die zich ontworteld voelen en een nieuw thuis hebben gevonden.'
Welk alternatief heeft een jongerenwerker voor de geborgenheid van een orthodoxe subcultuur?
‘Begrijpen dat warmte een rol speelt, is al bepalend voor hoe zo’n jongerenwerker reageert. Zegt hij: ”Ik geef je aan bij de politie” of zegt hij “Jongen, waar ben je eigenlijk naar op zoek?” Hij kan alternatieve plaatsen aanwijzen waar ook warmte te vinden is. Of wijzen op alternatieve Koran-interpretaties. Of de beperktheid van de orthodoxie benoemen. Of de mens laten zien achter opvattingen waar die radicalen het niet mee eens zijn.’
‘In het radicaliseringsproces wordt de niet-gelovige als het ware ‘verdingelijkt’, tot onmens gemaakt. In het allerhoogste stadium worden de vijanden afgeschilderd als beesten. Dat is de basis waarop je ze kan vermoorden. En inderdaad is het aanwijzen van ‘kafirs’, ongelovigen, zo’n stap in het radicaliseringsproces. Als jongerenwerker moet je er dan wel op wijzen dat die kafir ook een aardige buurman is of een liefhebbende vader, die goed voor zijn kinderen is. Dat is het terughalen van het menselijke aspect.’
Turkse jongeren radicaliseren buiten de moskee, blijkt uit recent onderzoek. Hoe zijn zij dan nog te bereiken?
‘Die jongeren worden dus op zich zelf teruggeworpen en zolang ze op school zitten is de leraar ongeveer de belangrijkste verbinding met de autochtone samenleving. Daarnaast heb je vaak nog jongerenwerkers die deze jongens bij de lurven kunnen pakken en met ze praten. Dat betekent dat het jongerenwerk heel belangrijk is en de ruimte moet hebben om zijn eigen koers te varen om dichtbij die jongeren te komen. De jongerenwerker moet ook relatief vrij staan van het politieapparaat. En hij moet leren omgaan met de verschijnselen van de radicalisering.’
Ahmed Marcouch zegt dat moskeebesturen als ze een radicaal geluid horen, niet verplicht moeten worden naar de politie te gaan, zoals stadsdeel De Baarsjes eist.‘Helemaal mee eens. Dat betekent dus dat moskeebesturen geëquipeerd moeten worden om de discussie met jongeren aan te kunnen gaan. Dat kunnen ze vaak niet. Het gebeurt regelmatig dat de jongeren ze met Koran-citaten om de oren slaan. Daar weten die ouderen vaak niet veel van. Je moet daarom een heleboel instrumenten inzetten om die kloof met de jongeren te overbruggen. Wat Marcouch doet, jongerenwerkers met een fatsoenlijke islamkennis inschakelen, vind ik uitstekend. Goed zo.’
Het hele interview is te lezen in Zorg + Welzijn nummer 11




