Diplomaloze jongeren
zondag, 5 november 2006
Ontbreken motivatie grootste obstakel voor diplomaloze jongere
Werkgevers vinden jongeren met een afgebroken schoolopleiding vaak niet gemotiveerd genoeg om hen aan te nemen. Ook vinden ze dat hun houding en gedrag veelal niet passen bij het bedrijf. Als jongeren echter laten blijken dat ze wèl gemotiveerd zijn en hun houding en gedrag kunnen aanpassen, vinden veel werkgevers het ontbreken van een diploma niet erg. Ze zijn dan bereid de kennis van de jongere zelf bij te spijkeren. Dat blijkt uit een onderzoek dat staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
Jongeren zonder diploma hebben meer moeite werk te vinden. Als de werkloosheid stijgt, lopen zij het risico langdurig buiten spel te raken. Van Hoof heeft daarom laten onderzoeken op wat voor manieren gemeenten nu al proberen om deze jongeren aan het werk te helpen en welke methoden het meeste succes hebben. Ook is onderzocht wat voor werkgevers de grootste obstakels zijn om deze jongeren aan te nemen en welke mogelijkheden gemeenten hebben hen aan het werk te helpen. De onderzoekers hebben onder andere gesprekken gevoerd met mensen die betrokken zijn bij projecten om jongeren zonder diploma te helpen een baan te vinden.
,,We leren hem het vak wel, als hij maar wat wil’’, is een veelgehoorde uitspraak die de geïnterviewde personen van werkgevers te horen kregen. Volgens hen zijn werkgevers bang dat ongemotiveerde werknemers meer verzuimen en een slechte invloed hebben op de rest van de werknemers en hun productiviteit. Dat geldt ook voor jongeren wier houding en gedrag niet passen bij het bedrijf.
Bij de projecten die het meest succesvol zijn worden jongeren intensief begeleid, zowel voor als na plaatsing bij een werkgever. Financiële instrumenten zoals subsidies en de no-riskpolis (die de financiële risico’s van ziekteverzuim afdekt als werkgevers een jongere zonder diploma aannemen) werken volgens de onderzoekers alleen in combinatie met die intensieve begeleiding. Een andere voorwaarde voor succes is een nauwe samenwerking tussen partijen als het CWI en gemeenten en betrokkenheid van werkgevers bij lokale plannen om jeugdwerkloosheid tegen te gaan. Ook concluderen de onderzoekers dat er nòg meer aandacht moet komen voor het voorkomen van onderwijsuitval, bijvoorbeeld door scholing en arbeidsmarkt beter op elkaar aan te laten sluiten.
Bovenstaande bevindingen en aanbevelingen sluiten geheel aan op het beleid dat door het kabinet is ingezet om deze jongeren te bemiddelen naar een leer/werkbaan, schrijft staatssecretaris Van Hoof in zijn begeleidende brief aan de Tweede Kamer.
Werkgevers vinden jongeren met een afgebroken schoolopleiding vaak niet gemotiveerd genoeg om hen aan te nemen. Ook vinden ze dat hun houding en gedrag veelal niet passen bij het bedrijf. Als jongeren echter laten blijken dat ze wèl gemotiveerd zijn en hun houding en gedrag kunnen aanpassen, vinden veel werkgevers het ontbreken van een diploma niet erg. Ze zijn dan bereid de kennis van de jongere zelf bij te spijkeren. Dat blijkt uit een onderzoek dat staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
Jongeren zonder diploma hebben meer moeite werk te vinden. Als de werkloosheid stijgt, lopen zij het risico langdurig buiten spel te raken. Van Hoof heeft daarom laten onderzoeken op wat voor manieren gemeenten nu al proberen om deze jongeren aan het werk te helpen en welke methoden het meeste succes hebben. Ook is onderzocht wat voor werkgevers de grootste obstakels zijn om deze jongeren aan te nemen en welke mogelijkheden gemeenten hebben hen aan het werk te helpen. De onderzoekers hebben onder andere gesprekken gevoerd met mensen die betrokken zijn bij projecten om jongeren zonder diploma te helpen een baan te vinden.
,,We leren hem het vak wel, als hij maar wat wil’’, is een veelgehoorde uitspraak die de geïnterviewde personen van werkgevers te horen kregen. Volgens hen zijn werkgevers bang dat ongemotiveerde werknemers meer verzuimen en een slechte invloed hebben op de rest van de werknemers en hun productiviteit. Dat geldt ook voor jongeren wier houding en gedrag niet passen bij het bedrijf.
Bij de projecten die het meest succesvol zijn worden jongeren intensief begeleid, zowel voor als na plaatsing bij een werkgever. Financiële instrumenten zoals subsidies en de no-riskpolis (die de financiële risico’s van ziekteverzuim afdekt als werkgevers een jongere zonder diploma aannemen) werken volgens de onderzoekers alleen in combinatie met die intensieve begeleiding. Een andere voorwaarde voor succes is een nauwe samenwerking tussen partijen als het CWI en gemeenten en betrokkenheid van werkgevers bij lokale plannen om jeugdwerkloosheid tegen te gaan. Ook concluderen de onderzoekers dat er nòg meer aandacht moet komen voor het voorkomen van onderwijsuitval, bijvoorbeeld door scholing en arbeidsmarkt beter op elkaar aan te laten sluiten.
Bovenstaande bevindingen en aanbevelingen sluiten geheel aan op het beleid dat door het kabinet is ingezet om deze jongeren te bemiddelen naar een leer/werkbaan, schrijft staatssecretaris Van Hoof in zijn begeleidende brief aan de Tweede Kamer.




