Plasterk/Bijsterveldt: hoe gaat het op VMBO
maandag, 8 september 2008
.. Mijn dochter is geweigerd voor Uiterlijke Verzorging omdat ze niet gemotiveerd genoeg is. Nou ze wil dolgraag! Ik snap helemaal niks van het inschrijfformulier van het ROC Onze zoon heeft net een baan in het transport, is-ie dolblij mee, die krijg ik echt niet meer naar school Mijn zoon wil de sport in, hij is gezakt voor het toelatingsexamen, wat nu? Goeie brief, bedankt! Mijn dochter wordt geweigerd op de havo; jullie denken toch niet dat ik haar naar het ROC laat gaan? Daar staan de loverboys haar nú al op te wachten Mijn kind naar het mbo kost me elke maand € 85,-- aan reiskosten, hállo, ik ben bijstandsmoeder Mijn zoon is nog geen 16, veel te jong voor het mbo Kunnen júllie niet een keer met m’n dochter praten?..
Deze en vele andere reacties kreeg OCW op de brief die ze eind juni naar alle VMBO-geslaagden stuurde. Minister Plasterk en staatssecretaris Van Bijsterveldt riepen hen op door te leren én kondigden aan daarop te gaan checken.
Volgende week is het zover: dan kijken leerplicht en RMC in heel Nederland of leerplichtige jongeren op hun (vervolg)opleiding zijn aangekomen.
BRON: webiste min ocw 5 september 2008
******* ***********
Antwoorden op deze vragen waren ook op de site te vinden:
Veel gestelde vragen naar aanleiding van de brief die de bewindslieden van OCW op 24 juni 2008 naar VMBO-geslaagden 2007/8 stuurden.
1. Mijn kind is minderjarig en krijgt daarom geen ov-studentenkaart. De reiskosten die mijn kind maakt kan ik niet betalen. Waarom krijgt mijn kind geen ov-studentenkaart en zijn er andere tegemoetkomingen?
Een ov-studentenkaart wordt uitsluitend verstrekt aan degene die recht heeft op studiefinanciering. Bij de invoering van de Wet studiefinanciering is destijds besloten dat studenten hierop aanspraak kunnen maken wanneer zij achttien jaar worden. Hun ouders hebben tot die tijd recht op kinderbijslag.
Het merendeel van de deelnemers van het mbo woont op geringe afstand van de onderwijsinstelling en heeft relatief weinig reiskosten. Deze grote groep deelnemers heeft gratis openbaar vervoer in de vorm van een ov-studentenkaart niet nodig. Verstrekking van een ov-studentenkaart voor alle minderjarige mbo’ers zou betekenen dat ook de grote groep mbo’ers die dichtbij de onderwijsinstelling woont, gebruik zou gaan maken van het openbaar vervoer met hogere kosten tot gevolg. Het verstrekken van een ov-studentenkaart voor alle minderjarige mbo’ers is dus geen doelmatige oplossing.
Ouders van minderjarige mbo’ers kunnen wel aanspraak maken op een tegemoetkoming in de reiskosten op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). In verband met de reiskosten is de bijdrage voor mbo-leerlingen met ingang van het schooljaar 2001-2002 verhoogd. Ouders wier inkomen in 2006 lager was dan € 31.773,- komen voor het schooljaar 2008-2009 in aanmerking voor het maximale bedrag van € 995,86,-. Ouders die meer verdienden kunnen een gedeeltelijke tegemoetkoming krijgen. Minderjarige scholieren kunnen ook gebruik maken van een korting van 34 procent op abonnementen van het stads- en streekvervoer.
Meer informatie
Klik hier voor de brochure
2. Mijn kind wordt niet aangenomen op HAVO en moet zich nu verplicht inschrijven bij een mbo-opleiding. Mogen scholen mijn kind weigeren?
Ja, een HAVO school mag een leerling met een vmbo-diploma weigeren. Het TL-diploma is een minimumeis om toegelaten te worden tot HAVO. De school mag zelf nog aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld vakken die gevolgd moeten zijn om aan te sluiten bij HAVO-opleiding of een bepaald cijfergemiddelde.
OCW heeft een onderzoek ingesteld naar de doorstroommogelijkheden van vmbo naar HAVO. Eind oktober worden de resultaten van dit onderzoek bekend gemaakt.
Voor meer informatie over de mogelijkheden binnen het mbo kunt u contact opnemen met het RMC bij u in de buurt. zie www.rmcnet.nl.
3. Mijn kind wil niet verder leren en heeft een baan aangenomen. Is dit ook mogelijk?
Zolang een kind leerplichtig is, moet hij/zij een opleiding volgen om te voldoen aan de kwalificatieplicht. Wel is het mogelijk dat werken en leren gecombineerd wordt, namelijk de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Bij deze route werken de leerlingen drie tot vier dagen per week in een erkend leerbedrijf. De resterende week volgen ze theorieonderwijs op school. BBL-deelnemers ontvangen een leerarbeidsovereenkomst en treden daarmee in dienst van het bedrijf. Leerlingen mogen alleen praktijkonderwijs volgen bij erkende leerbedrijven. Dit zijn bedrijven die voldoen aan de kwaliteitscriteria van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. De andere leerroute is BOL (beroepsopleidende leerweg), hierbij volgt de leerling dagonderwijs op een ROC en loopt zo nu en dan stage in een erkend leerbedrijf.
Op www.colo.nl vind u meer informatie over erkende leerbedrijven.
4. Mag een mbo-instelling mijn kind weigeren?
Op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) zijn mbo-instellingen verantwoordelijk voor hun toelatingsbeleid. Dat betekent dat mbo-instellingen ook een jongere mogen weigeren om zich in te schrijven voor een bepaalde beroepsopleiding. Een instelling moet zich hierbij houden aan bepaalde randvoorwaarden.
Zo stelt de WEB geen leeftijdseisen voor toelating tot een mbo-opleiding. Iedereen kan, ongeacht zijn leeftijd, zich dus aanmelden voor een mbo-opleiding. Enkel op grond van de WEB kan een mbo-instelling dus geen jongere weigeren op basis van leeftijd. Echter, mbo-opleidingen leiden op voor een bepaald beroep en jongeren moeten tijdens hun opleiding ook verplicht stage lopen bij een echt bedrijf. Op grond van andere wetgeving kan aan de uitvoering van een bepaald beroep leeftijdeisen gesteld worden. Die gelden dan ook voor stagairs van een mbo-opleiding. Bijvoorbeeld: wil je een oriëntatiejaar (mbo opleiding niveau 1) bij Defensie gaan doen, dan stelt Defensie de eis dat je bij inschrijving minimaal 16 jaar moet zijn. Eerder inschrijven op deze mbo-opleiding heeft geen zin en een mbo-instelling kan dat dus weigeren. In andere beroepen kunnen andere leeftijdsgrenzen gelden. Een mbo-instellingen moet hierover informatie kunnen geven.
Een andere eis waaraan mbo-instellingen zich moeten houden is dat ze niet meer jongeren mogen inschrijven voor een mbo-opleiding dan er vraag naar is vanuit de arbeidsmarkt. Voor opleidingen als Uiterlijke Verzorging (kapster) of Sport en Bewegen melden zich vaak meer jongeren dan er plaatsen beschikbaar zijn. Meer jongeren inschrijven heeft geen zin, want kans op een baan na afloop van de opleiding wordt dan steeds kleiner. Mbo-instellingen mogen dan uit de aanmeldingen de meest gemotiveerde deelnemers selecteren. Zij hebben meer kans de opleiding met goed gevolg te doorlopen.
Nagenoeg alle mbo-instellingen beschikken over een leer- en loopbaancentrum (ook wel eens 'servicebureau' of 'trajectbureau' genaamd) waar jongeren die nog twijfelen over hun studiekeuze terecht kunnen voor gericht advies. Mocht inschrijving voor bijvoorbeeld een opleiding Sport en Bewegen niet lukken, dan kan een dergelijk advies helpen je in te schrijven op een andere opleiding die bij je interesse past en die op termijn ook meer perspectief biedt op een goede baan.
Daarnaast gelden bepaalde wettelijke vooropleidingseisen om op een bepaald niveau mbo-opleiding in te kunnen stromen. Voor niveau 1 en bepaalde niveau 2 opleidingen gelden geen vooropleidingseisen. Voor de niveaus 3 en 4 wel. De mbo-instelling kan hierover alle informatie verstrekken




