Rouvoet: het zijn wel ònze jongeren
woensdag, 1 oktober 2008
'Vanaf dag één heb ik de mouwen opgestroopt’, zegt de minister voor Jeugd en Gezin.
André Rouvoet (46), vicepremier en partijleider van de ChristenUnie, is ruim anderhalf jaar minister voor Jeugd en Gezin. Maar vooralsnog krijgt hij weinig waardering. Zijn paradepaardje, het Centrum voor Jeugd en Gezin dat in elke gemeente hét opvoedcentrum moet worden, krijgt felle kritiek. Het zou een nieuwe bureaucratie worden in de toch al onoverzichtelijke jeugdzorg.
Hans Kamps (werkgeversvereniging MOgroep, adviesraad SER) schetste een dramatisch beeld van de probleemjeugd en de opkomst van een nieuwe ‘onderklasse’ in de kenniseconomie. Sindsdien gonst het in de Tweede Kamer van de plannen om de jeugd aan te pakken. De lobbyclub van gemeenten VNG vindt dat elke gemeente zelf de jeugdzorg moet leiden, in plaats van de provincies.
Herkent u het scenario van Kamps over de nieuwe onderklasse?
‘Daar maak ik me al tijden zorgen over. Sinds het moment dat ik aantrad als minister voor Jeugd en Gezin in februari 2007 ben ik geconfronteerd met wachtlijsten, met probleemjongeren, met comazuipen. In mijn vriendenkring vroegen ze me: André, waar begin je aan? Maar dat is precies mijn motivatie om deze portefeuille te willen, om daar echt iets aan te doen. Maar 5 tot 15 procent van de jongeren heeft problemen, maar het zijn wel ónze jongeren, het is ónze jeugd van tegenwoordig.’
Hoeveel jongeren dreigen in die ‘onderklasse’ te komen?
‘Je weet het nooit precies, want er is een enorme overlap. We komen die gasten in verschillende regelingen tegen. Er wordt nu ‘stapelingsonderzoek’ gedaan. Dat onderzoek moet zicht bieden op het aantal jongeren waarover we het in totaal hebben. Ik besef dat je niet eindeloos moet blijven onderzoeken, maar als je maatregelen wilt nemen, dan kun je dat niet geïsoleerd doen. Dan krijg je het waterbedeffect: jongeren die je bij de Wajong, de uitkering voor jonggehandicapten, kwijt bent, duiken in een andere regeling weer op. We moeten echt een spade dieper steken.’
Dat zei u vorig jaar al, dat u een spade dieper wilde steken. Wat is er in dat jaar gebeurd?
‘Vanwege de explosieve groei van het aantal Wajongers heeft TNO onderzoek gedaan. Maar we weten toch nog te weinig over die groep. Met het stapelingsonderzoek hoop ik binnenkort te weten waar die enorme vraag naar jeugdvoorzieningen vandaan komt. En dan wil ik als de wiedeweerga advies van bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad en de Onderwijsraad, zodat we in samenhang de zaak kunnen aanpakken.’
In de Lissabon-agenda van de Europese Unie staat dat als we in 2020 een kenniseconomie willen zijn, vijftig procent van de jongeren een hbo-opleiding of hoger moet hebben. Is dat haalbaar?
‘Het onderstreept de urgentie. We kunnen jongeren niet zo massaal uit de boot laten vallen, we moeten ze erbij houden. De Lissabon-doelstelling is belangrijk, maar mij gaat het in eerste instantie om iets anders. In iedere jongere zit iets moois, maar bij een aantal komt dat er niet of moeizaam uit. Ik wil dat we die jeugd een kans geven.’
Als er niks gedaan wordt, wordt het halen van de Lissabon-doelstelling lastig.
Geïrriteerd: ‘Dan raken we de jongere kwijt! Ik maak de belangen van de jeugd niet ondergeschikt aan economische doelstellingen. Ik wil investeren in de jeugd, niet omdat we dan Lissabon halen, maar omdat die jongeren hun leven weer op de rails krijgen. Dát is mijn belang.’
PvdA-fractievoorzitter Hamer wil dat u de verantwoordelijkheid van de jeugdzorg verschuift van de provincie naar de grote gemeenten, fractievoorzitter Halsema van GroenLinks pleit voor een deltacommissie. Wat vindt u?
‘Ik voel niet veel voor een deltacommissie, we hebben inmiddels genoeg commissies en onderzoeken gehad. En dat er in de grote steden veel aan de hand is, dat wisten we wel. Met Leonard Geluk (CDA-wethouder Jeugd in Rotterdam) heb ik allang afspraken gemaakt: hij heeft veel meer ruimte om dingen in zijn eigen gemeente te doen. Als Lodewijk Asscher (PvdA-wethouder Jeugd in Amsterdam) dat ook wil, laat hem maar langskomen.
‘Het loopt daar nog niet goed overigens, Asscher heeft het Bureau Jeugdzorg in Amsterdam niet voor niets een aanwijzing gegeven. Uit zijn eigen onderzoek blijkt dat veel gemeentelijke instanties langs elkaar heen werken. Asscher zegt: maak mij verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dat is hij al. Ik wil hem best meer armslag geven, maar ik ga geen stelsels veranderen. De oplossing zit nooit in het stelsel als zodanig.’
U wilt geen stelsels veranderen. Toch zet u in elke gemeente een centrum voor Jeugd en Gezin neer. Die vormen volgens critici een extra bureaucratische laag.
‘Het Centrum voor Jeugd en Gezin is geen nieuwe laag, het bundelt het bestaande aanbod van hulpverlening. Het is een opvoedpunt waar je met een vraag binnen stapt en met een antwoord naar buiten gaat. Ik wil dat best twee keer uitleggen, of drie keer. Maar als ze dan nog zeggen dat het een bureaucratische laag is, dan zeg ik: ik gun je je beeld, maar ik hecht meer waarde aan het oordeel van de beroepskrachten die ermee werken. Zij zijn enthousiast.’
Het gaat al tien jaar over de jeugdzorg. Wordt het niet tijd voor een oplossing ?
‘Ja. Maar het laatste wat je moet doen is je de kop gek laten maken. Nogmaals: als we volgende week de zaak omgooien en in plaats van de provincies de 443 gemeenten verantwoordelijk maken voor de jeugdzorg, dan gaat het niet automatisch beter.’
Maar wat doet u dan wel, behalve de onderzoeken naar de jeugd die u noemde?
‘Vanaf dag één heb ik de mouwen opgestroopt. De preventie wordt verbeterd, de jeugdzorg wordt geprofessionaliseerd. Er is een aanpak van kindermishandeling. De wachtlijsten in de jeugdzorg worden versneld weggewerkt. Ik wil de de zaak structureel op orde krijgen, dat is waar ik aan ben begonnen en waar ik dag en nacht mee bezig ben.’
Waarom krijgt u dan toch het verwijt dat u de urgentie van het probleem niet over het voetlicht krijgt?
‘Ik loop lang genoeg mee in de politiek om te weten dat dat het makkelijkste argument is. Als je niks inhoudelijks weet te zeggen, zeg je: ik zie te weinig urgentie. Ik heb een zekere onverstoorbaarheid. Ik werk aan structurele oplossingen, en dat gaat niet van de ene op de andere dag. Ik wil best uitleggen wat ik doe, maar ik laat me niet van de wijs brengen.’
BRON: website volkskrant 1 oktober 2008 interview door: G. Herderschee en A. Kiene




