Oneuropese tweedeling bij allochtone MBO-ers
dinsdag, 7 oktober 2008
De meest opvallende uitkomst uit ons onderzoek naar de tweede generatie is de tweedeling binnen de tweede generatie groepen. Een kwart van de tweede generatie jongeren behaalt geen startkwalificatie, echter daarnaast is een even zo grote groep hoogopgeleid.
Dit gegeven wordt verder versterkt doordat de jongeren zonder startkwalificatie vaak trouwen met een partner die ook geen startkwalificatie heeft en de hoogopgeleide jongeren juist vaak trouwen met iemand die ook hoog opgeleid is. De jongeren zonder startkwalificatie trouwen jong en krijgen ook jong kinderen. De hoogopgeleide jongeren stellen het krijgen van kinderen uit. Aan de ene kant hebben we dus dubbel kwetsbare huishoudens met kinderen, aan de andere kant zien we hoogopgeleide tweeverdieners zonder kinderen, of die hun kinderen pas op een latere leeftijd hebben gekregen.
De verschillen die zo ontstaan zijn zeer groot: enerzijds bijzonder kwetsbare gezinnen die behoren tot onderkant van de samenleving ,anderzijds hoogopgeleiden die de eerste elite vormen in hun gemeenschappen. Zij stromen vaak door naar relatief dure koopwoningen in de betere wijken in de twee steden.
Het komt regelmatig voor dat er in de media melding gemaakt wordt van probleemjongeren van Marokkaanse of Turkse afkomst en dat er tegelijkertijd een stuk gepubliceerd wordt over een succesvolle Marokkaanse of Turkse zakenman, schrijver, of politica. Het is het bekende verhaal: zien we een halfvol glas of is het half leeg? Ons onderzoek laat zien dat beide visies tegelijkertijd waar zijn.
De andere belangrijke bevinding uit het onderzoek is dat de lijn tussen succes en falen in feite heel dun is. Driekwart van de tweede generatie jongeren stroomt het Mbo in. Dit is de grote middengroep. Voor sommige jongeren is het Mbo de opstap naar het Hbo waarmee zij zich in de succesvolle groep scharen. Voor andere jongeren echter is uitval op het Mbo de reden dat zij zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten. Jongeren met dezelfde startsituatie in het Mbo (vooropleiding Vmbo-kader, Vmbo-theoretisch of Mavo) eindigen op
deze twee extreme einden van de onderwijsladder.
Bijna de helft van de hoogopgeleide tweede generatie jongeren heeft via de lange weg van het “stapelen” van opleidingen het hoger onderwijs bereikt. Tegelijkertijd heeft ook bijna de helft van de jongeren zonder startkwalificatie een Vmbo-t of Mavo vooropleiding. Beide gegevens zijn opvallend: het eerste gegeven laat zien dat een belangrijk deel van het talent niet wordt herkend op de basisschool waardoor deze leerlingen veel te laag beginnen. Het tweede gegeven laat zien dat een belangrijk deel van de jongeren zonder startkwalificatie, dat blijkbaar wel de leercapaciteiten heeft om een middenniveau te halen, desondanks
voortijdig uitvalt op het Mbo.
De derde opvallende uitkomst van ons onderzoek is dat het overgrote deel van de jongeren zonder startkwalificatie niet langdurig werkloos is. Zij zorgen voor hun gezin of zij werken. Het algemene idee is dat jongeren zonder startkwalificatie onvoldoende uitgerust zijn voor het betreden van de arbeidsmarkt. Voor de meerderheid van de mannen geldt dit blijkens ons onderzoek niet. De vrouwen betreden de arbeidsmarkt over het algemeen niet omdat zij voor hun gezin zorgen. Is het label ‘risicojongeren’ dat jongeren zonder startkwalificatie vaak krijgen opgespeld dan wel terecht? In de strikte definitie wellicht niet, maar de situatie van een groot deel van deze jongeren is wel bijzonder kwestbaar. Velen kunnen financieel niet rondkomen en hun arbeidsmarktpositie is uiterst instabiel. In deze groep wisselt men relatief vaak van baan en velen werken, ook na een aanzienlijk arbeidsmarkt, carrière nog steeds op tijdelijke contracten. Een kleine verandering in de conjunctuur maakt hun naar verwachting, zoals velen met een tijdelijk contract, werkloos.
De vierde belangrijke bevinding is dat één op de vijf jongeren zonder startkwalificatie het opvallend goed doet. Zij hebben zich via hun baan bijgeschoold of zijn voor zichzelf begonnen als zelfstandig ondernemer. De integrerende kracht van de arbeidsmarkt biedt voor deze groep blijkbaar een alternatief voor reguliere scholing.
Beleidsaanbevelingen
Een vroege signalering van potentiële risicojongeren op basis van indicatoren vroeg in de schoolloopbaan (basisschool en het voortgezet onderwijs) is mogelijk en wenselijk.
Begeleiding van potentiële risicojongeren moet reeds worden ingezet in het voortgezet onderwijs. Er moet bij deze jongeren op twee sporen worden ingezet.
Meer remedial teaching en huiswerkbegeleiding voor deze specifieke groep is gewenst. In het bijzonder de groep Turkse leerlingen en meer algemeen de meisjes lijken niet of te weinig te worden bereikt. Ten tweede ontbreekt het deze jongeren vaak aan duidelijke leerdoelen. Naast extra reguliere begeleiding op school (gericht op deze specifieke groep risicojongeren) kan gedacht worden aan mentoren uit de eigen etnische groep die als rolmodel kunnen fungeren.
De onderzoeksgegevens over de schoolloopbanen van de jongeren zonder startkwalificatie laten glashelder zien dat er een probleem is met de doorlopende leerlijn tussen Vmbo en Mbo. De helft van de jongeren zonder startkwalificatie maakt óf het Vmbo niet af óf gaat niet door op het Mbo. Vmbo praktijkonderwijs en Vmbobasis dienen samen met Mbo 1 en 2 een doorlopende leerlijn te vormen. De experimenten met zogenaamde vijf of zesjarige vakcolleges zijn daarbij hoopgevend. Dit traject dient met grote voortvarendheid verder te worden ontwikkeld.
Een structureel probleem voor jongeren uit het speciaal onderwijs is dat het voortgezet onderwijs wel individueel en speciaal onderwijs kent maar het Mbo niet. Extra begeleiding van jongeren uit het speciaal onderwijs op het Mbo is noodzakelijk voor het behalen van een startkwalificatie.
Opvallend is dat de arbeidsmarkt een belangrijke integrerende functie heeft voor een deel van de jongeren zonder startkwalificatie. Dat werpt de vraag op of het bedrijfsleven en de overheid veel systematischer moeten worden ingeschakeld bij het opleiden van deze jongeren.
Een kleine groep tweede generatie jongeren zonder startkwalificatie is langdurig werkloos. Het gaat om ongeveer 750 tweede generatie jongeren per stad. Blijkbaar is er voor hen geen sluitend traject van school of werk. Gezien de diversiteit van de groep (werkloze vrouwen met kinderen, jongeren met leerproblemen en kansrijke jongeren die vroegtijdig zijn uitgevallen) is een traject op maat met individuele begeleiding het meest passend. Men zou kunnen denken aan een duizend banenplan zoals dat eerder voor Molukse jongeren succesvol is ingezet. Daarbij kan vooral gedacht worden aan banen bij de overheid omdat jongeren zonder startkwalificatie in die sector ondervertegenwoordigd zijn.
De analyse van schoolloopbanen van hoogopgeleide jongeren laat zien dat veel talent aan het eind van de basisschool niet wordt herkend. De selectie komt te vroeg of de selectiemechanismen zijn ontoereikend. De wijze van selectie aan het eind van de basisschool dient opnieuw bekeken te worden.
Juist die routes die jarenlang voor verschillende achterstandsgroepen de succesroutes waren in het voortgezet onderwijs zijn in de afgelopen tien jaar afgeschaft. Het gat tussen het ontbreken van opstroom mogelijkheden en de lange onderwijsroute via Mbo naar het Hbo is te groot. Dit leidt niet alleen tot veel
vertraging voor de leerlingen maar ook tot grote extra kosten voor de overheid. De beste initiatieven om de opstroom mogelijkheden in het voortgezet onderwijs te verbeteren zijn de zogenaamde kopklassen en de kansklassen. Deze moeten op een veel grotere schaal worden ingezet. Sommige scholen reparen ook de overstap van Mavo/Vmbo-theoretisch naar Havo. Dergelijke pogingen dienen praktisch en financieel te worden gestimuleerd.
Er is een grote groep hoogopgeleide tweede generatie jongeren in de grote steden. De politiek en beleidsmakers moeten meer gebruik maken van de potentie onder deze groep. Politiek en beleidsmatig is het van groot belang dat de aanstormende tweede generatie elite actief wordt betrokken bij het bestuur van onze samenleving. Naar voorbeeld van Australië kunnen multiculturele jongerenadviesraden worden
ingesteld die beleid en politiek gevraagd en ongevraagd van advies dienen. In de praktijk blijken deze raden bovendien kweekvijvers voor een nieuwe generatie politici en beleidsmakers.
BRON: website NICIS 6 okt. '08 Rapport geschreven door Maurice Crul, Adel Pasztor en Frans Lelie




