Is het nuttig het beestje bij de naam te noemen?
woensdag, 25 februari 2009
Bij Kamers met Kansen projecten wordt verondersteld dat een magic-mix van bewoners de kans op nuttige interactie tussen hen verhoogt. De schaal van de projecten en de aanwezigheid van verschillende doelgroepen biedt meer voor- dan nadelen. In Nederland is er veel discussie over het zo precies mogelijk benoemen van doelgroepen. Bewoners die deel uitmaken van groepen met achterstanden kunnen zelf natuurlijk goed aangeven hoe zij hun etnische achtergrond zien. De Amerikaanse president liet weten een afro american te zijn, hier horen wij steeds vaker over Antilliaaanse of Marokkaanse Nederlanders spreken. Bij onderzoek van Horjus&partners uit 2004 en 2005 is ondermeer ook over de etnische achtergronden gerapporteerd (kijk op de site bij > ik wil nog meer weten> downloads).
Hieronder een aankondiging van een door Nicis georganiseerde bijeenkomst over het dilemma: leidt het benoemen tot stigamitisering of helpt het bij het bestrijden van achterstanden.
Het vraagstuk specifiek versus generiek beleid, ook wel doelgroepenbeleid versus algemeen beleid, ligt gevoelig op het gebied van integratie. Voorstanders van algemeen beleid vinden dat je bij de aanpak van maatschappelijke problemen geen onderscheid moet maken tussen groepen, omdat het kan leiden tot stigmatisering. Anderen vinden doelgroepenbeleid juist wel nodig, omdat sommige groepen door het reguliere beleid niet bereikt worden. Uit onderzoek blijkt nu dat deze eindeloze principiële discussie zonde van de tijd is omdat het geformuleerde beleid uiteindelijk weinig invloed blijkt te hebben op de uitvoeringspraktijk. Beleidsmakers zouden het vraagstuk daarom veel pragmatischer moeten benaderen.
Het onderzoek
Onderzoeker Floris Vermeulen van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) onderzocht het lokale beleid voor werkloze migrantenjongeren in Amsterdam en Berlijn. Hoewel Berlijn specifiek beleid voert en Amsterdam algemeen beleid blijkt dat er in de uitvoering weinig verschillen zijn. Uitvoerders in beide steden hanteren een individuele benadering waarin ze monoculturele en multiculturele elementen combineren. De onderzoeker concludeert dan ook dat de principiële (vaak politieke) discussie specifiek versus generiek weinig zin heeft en adviseert beleidsmakers zich meer pragmatisch op te stellen. Maar wat betekent dit concreet in de beleidspraktijk? Het onderzoek ‘Diversiteit in uitvoering’ vormt tijdens deze bijeenkomst het startpunt voor verdere discussies over de effectiviteit van (doelgroepen)beleid in de uitvoering.
Het kennisatelier
Op woensdag 8 april organiseert KIEM (Kennisprogramma Integratie) het kennisatelier ‘Doelgroepenbeleid: effectief in de uitvoering?’ Floris Vermeulen presenteert de resultaten van zijn onderzoek en gaat in gesprek met beleidsmakers en uitvoeringsprofessionals over de betekenis van de onderzoeksresultaten voor de stedelijke praktijk. Dit kennisatelier gaat dus níet over de discussie specifiek versus generiek, maar richt zich op de vraag: hoe kan het gekozen specifieke en/of generieke beleid effectief geïmplementeerd worden? Hoe voorkom je mogelijke negatieve gevolgen, zoals stigmatisering? En wat betekenen de onderzoeksresultaten in de context van de recent uitgekomen beleidsbrief over de specifieke aanpak van Marokkaans-Nederlandse jongeren? Welke lessen kunnen we in dit kader trekken uit het bestaande Antillianenbeleid? U bent van harte welkom om mee te discussiëren!
Aanmelden
Dit kennisatelier is interessant voor mensen die zich vanuit onderzoek, beleid en praktijk bezig houden met zaken als specifiek/generiek beleid, risicojongeren, integratie, participatie, onderwijs en arbeidsmarkt. De toepassing in de stedelijke (beleids)praktijk staat centraal. Deelname is gratis, aanmelden is verplicht.
BRON: website Nicis




